apostrof

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌapɔsˈtrɔf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. typografie (typografie) leesteken lijkend op een komma maar hoger geplaatst
  2. om aan te geven dat iets is weggelaten
    Er zat 'n konijn in het gras. / Er zat een konijn in het gras.
  3. als koppelteken in meervouds- en genitiefvormen van woorden die op een klinker eindigen en in verkleinings- en meervoudsvormen van letterwoordenspellingregel 6.J
    Hij zit de hele dag alleen maar te sms'en met zijn vrienden.
  4. (retorica) stijlfiguur waarbij de redenaar zich opeens direct richt tot een ander dan het eigenlijke publiek, meestal een afwezige persoon of een verpersoonlijkt voorwerp of idee
  5. (bij uitbreiding) levendige, harde bestraffende toespraak

Etymologie

* [2] Leenwoord uit Frans "apostrophe", overgenomen uit Laatlatijn apostrophē, ontleend aan Oudgrieks apostrophḗ ‘afwending’.

Vertalingen

Engelsapostrophe, apostrophe
Fransapostrophe, apostrophe
DuitsApostroph, Hochkomma, Apostrophe
Spaansapóstrofo, apóstrofe
Italiaansapostrofo, apostrofe
Portugeesapóstrofo, apóstrofe
Turksapostrof, kesme işareti, kesme imi
Poolsapostrofa