apostille
mannelijk/vrouwelijk (de)/apɔsˈtijə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (juridisch) stempel of aanvullend document dat de geldigheid van de ondertekening van een document verzekertWilt u een Nederlands document (bijvoorbeeld een diploma) in het buitenland gebruiken? Voor landen die meedoen aan het Apostilleverdrag kunt u het document laten legaliseren met een apostille. Dit is een stempel of sticker op het document.
- formulier over de verdere behandeling van een verzoek of voorstel, vaak met een bijgaand document als aanleidingU moet er rekening mede houden, eerwaarde moeder, dat ik iedere avond een apostille van de Heilige Vader ontvang met de dringende vraag: Barberinissime, waar blijft het antwoord?
- besluit naar aanleiding van een document of strekking van een verzoek of advies voor verdere afhandeling van een documentOp 21 december 1791 maakt drossaard de Borman de prins-bisschoppelijke resolutie van 12 november 1791 die burgemeester Craeghs hem ter hand gesteld heeft, over, alsmede kopies van de twee landelijke reglementen uit 1762 die bij de prins-bisschoppelijke apostille gevoegd waren.
- (juridisch) kanttekening gemaakt op een officieel document over de verdere afhandeling daarvanDe griffier of secretaris die hen assisteerde, in dit voorbeeld P.A. van der Meulen, noteerde in de marge (apostille) hun beschikking op het verzoek ('verleent bij provisie mandement van arrest') en vulde de datum aan. Tenzij anders vermeld is de datum in de apostille dus de datum van de beschikking en niet de datum waarop het rekest was opgesteld of bij het Hof was binnengekomen.
Etymologie
* via Middelnederlands van "apostille", in de betekenis van ‘kanttekening op akte’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351
Vertalingen
Spaansapostilla
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek