antieken

meervoud/ɑnˈtikə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. personen uit de antieke oudheid
  2. figuurlijk (figuurlijk) personen of zaken die in de loop van de tijd bewezen hebben van zeer groot belang te zijn geweest
    Hij kent zijn antieken.

Etymologie

* afgeleid van "antiek" "uit de Oudheid"