anticiperen
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) vanuit een bepaalde verwachting handelen, vooruit kijken, vooruit regelen, vooruitlopen (op)Mensen anticipeerden op de accijnsverhoging door extra veel sterke drank te kopen.
- (ov) voor iets anders plaatshebben
- (ov) (juridisch) het recht van anticipatie uitoefenen, prejudiciëren
- (ov) van tevoren beschikken over later inbare of vervallende bedragenWanneer een koopman aan een commissionair goedern in consignatie heeft gezonden, ... en hij, vóordat deze verkoop heeft plaats gehas, voor een gedeelte van het bedrag een wissel op dezen trekt, heet dit de handel anticipeeren.Geïllustreerde ecyclopedie {{Aut|Antony Winkler Prins
Etymologie
*afgeleid van het Franse anticiper () [https://fr.wiktionary.org/wiki/anticiper Wiktionnaire]
Vertalingen
Engelsanticipate, think ahead
Fransanticiper
Spaansanticipar, avanzar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek