anti
mannelijk (de)/ˈɑnti/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de tegenstanderDe anti's
voorzetsel
- zich kerend tegen, met afwijzing vanIk ken de geschiedenis van Wilders, en we kennen allemaal zijn opinies, die absoluut állemaal anti-rechtsstatelijk zijn, en anti-democratisch, anti de rechtsorde.
Etymologie
*afgeleid van het Grieks: 'anti'
Vertalingen
Engelsanti, anti
Fransanti, anti
DuitsAnti, anti
Spaansanti, anti
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek