ansjovis

mannelijk (de)/ɑnˈʃovɪs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) bewerkte en gezouten kleine visjes uit de familie die vooral om hun smaak aan gerechten worden toegevoegd
    Want wat is het heerlijke van ceasar salad? Die intens hartige smaak van ansjovis en parmezaan, smeuïg gemaakt met ei en dan het contrast van de iets bittere frisse sla met de stevige croutons.
    Er is geen andere plek waar je ansjovis en condooms kunt kopen, of wat je ook nodig hebt.
    Straatmuzikanten stonden te spelen op het plein, te midden van tafels vol tapas van garnalen, ansjovis en aardappels.
  2. visserij, straalvinnigen (visserij) (straalvinnigen) benaming voor klein haringachtige vissen uit de familie
    Volgens hen zijn de bijna 4500 pelikanen omgekomen door een gebrek aan een bepaald soort ansjovis.
  3. pregnant, straalvinnigen (pregnant) (straalvinnigen) kleine haringachtige vis die in de wateren rond Europa voorkomt
    In Limburg telen ze de heilige boontjes, in de Oosterschelde zwemt ansjovis. Hoewel de Slow Food-beweging zich van oudsher vooral bekommert om het behoud van voedselculturen en -tradities, draait het ook om biodiversiteit en duurzame productie.

Etymologie

*gevormd onder invloed van "vis" uit de meervoudsvormen "anchovas/anchoves" van "anchova", "anchova" of "anxova" of met het kortere "anchoa", in de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in 1518 De genoemde vormen kunnen via "anciôa" en middeleeuws Latijn "aphya" op "ἀφύη" (aphúe) teruggaan, waarmee steeds op een gerecht bestaande uit gebakken kleine visjes wordt gedoeld.

Vertalingen

Engelsanchovy
Fransanchois
DuitsAnschovis
Spaansanchoa, boquerón
Italiaansacciaga
Portugeesanchova