ankertros
mannelijk (de)/'ɑŋkərtrɔs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) kabel waaraan een drijvend voorwerp geankerd isPerk boog de als een ankertros zo dikke haarband om haar hoofd maar de Enkhuizer knuttel was nog stroef.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek