anima

vrouwelijk (de)/ˈanima/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. levenskracht opgevat als spiritueel, bovennatuurlijk verschijnsel
    Van zijn vlees is geen spiervezel overgebleven en nog ben ik niet bereid voor zoetekoek {{sic!|zoete koek
  2. psychologie (psychologie) () in de jungiaanse psychologie de vrouwelijke zijde van de mannelijke psyche
    Ik ben er namelijk niet zeker van dat het prominente motief van de vrouw louter verbonden is met de archetypische hunkering naar de ideale levenspartner, naar de anima.

Etymologie

*van Latijn "anima"