anijs
mannelijk (de)/aˈnɛis/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaald soort schermbloemige plant,In een van haar lusthoven, waar ze 's morgens vertoeft, groeit de peper, de anijs, de gember en alle denkbare zuidvruchten; (…)
- (kruid) (medisch) zaad van , gebruikt om de geur en smaak van gerechten en dranken aantrekkelijker te maken of als geneesmiddelAnijs wordt gebruikt voor het aromatiseren van gerechten en kan daarnaast een medicinale werking hebben.
- (drinken) alcoholische drank gemaakt met anijszaad‘Nou eerst 'n biertje pakken, hè?,’ stelde hij voor, - ‘nee wacht 's, 'n advocaatje of - of 'n glaasje anijs?’
Etymologie
*via Middelnederlands "anis", "anis" en Latijn "anisum" van "ἄνισον" (ánison), in de betekenis van ‘plant’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Vertalingen
Engelsanise
Fransanis
DuitsAnis
Spaansanís, matalahúva
Italiaansanice
Portugeesanis
Russischанис
Japansアニス
Arabischينسون
Turksanason
Poolsanise
Zweedsanis
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek