anglicaan

mannelijk (de)/ɑŋɣli'kan/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. lid van de Engelse (anglicaanse) staatskerk

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘lid van de anglicaanse Kerk’ voor het eerst aangetroffen in 1871

Vertalingen

EngelsAnglican