ananas

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɑnaˌnɑs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. fruit (fruit) (ook: Ananas sativus), een vrucht van de ananasplant
    In de groentewinkel worden sinds kort ook ananassen verkocht.
    Het kweken van ananassen is lange tijd een hobby geweest op landgoederen in Nederland.
    Ik herinnerde me het etablissement met een ananas op het uithangbord.
  2. bloemplanten (bloemplanten) een uit Zuid-Amerika afkomstige plant van de soort

Etymologie

*van en ananás

Vertalingen

Engelspineapple
Fransananas
DuitsAnanas
Spaanspiña
Italiaansananas
Portugeesananás, abacaxi
Russischананас
Japansパイナップル
Koreaans파인애플
Arabischأناناس
Turksananas
Poolsananas
Zweedsananas
Deensananas