amplitude

vrouwelijk (de)/ɑmpli'tydə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. natuurkunde, elektrotechniek (natuurkunde) (elektrotechniek) de grootte, of sterkte, van een trilling. Dit kan een mechanische trilling zijn van bijvoorbeeld een snaar van een harp, of de daardoor ontstane geluidsgolf, of van enig ander periodiek verschijnsel
    Deze golf heeft twee belangrijke eigenschappen: de frequentie van de trillingen en de amplitude.
    Het doel is niet het toevoegen van informatie, maar het gebruik van steeds andere frequenties en amplitudes teneinde door mogelijke afweersystemen van de vijand heen te dringen.

Etymologie

* uit het Latijn

Vertalingen

Engelsamplitude
Fransamplitude
DuitsAmplitude
Spaansamplitud
Italiaansampiezza
Poolsamplituda