ambtsperiode

vrouwelijk (de)/'ɑmptsperijodə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tijdperk dat men een bepaalde functie vervult
    Lula (76) geldt als een aartsrivaal van de rechtse president. Hij was tussen 2003 en 2010 al eens president en staat bekend om zijn uitgesproken linkse beleid, al werd zijn ambtsperiode ontsierd door beschuldigingen van wijdverbreide corruptie. Lula zat zelf 19 maanden gevangen, maar zijn veroordeling werd uiteindelijk als politiek gemotiveerd ongedaan gemaakt.
    Op de vraag of hij denkt een rol te hebben gespeeld in de totstandkoming van het oordeel, nadat hij tijdens zijn ambtsperiode drie conservatieve rechters bij het Hooggerechtshof had aangesteld, zei de voormalige president tegen de nieuwszender: ,,God heeft de beslissing genomen.”