ambtsgewaad

onzijdig (het)/'ɑmptsxəwat/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) kleding die men verplicht is te dragen bij de uitoefening van een ambt
    Ach, dr. Bodar heeft het, ofschoon in Den Bosch geboren, al zo dikwijls geroepen: liever was hij theologie blijven studeren in de schaduw van de Sint Pieter (,,dicht bij il papa), maar de uitnodiging van de bisschop van 's-Hertogenbosch had hij ervaren als een goddelijke roep om de Eeuwige Stad te verlaten. Uit Bodars toespraak blijkt welke schakeringen zijn ambtsgewaad zullen kleuren: scherp (zie boven), vroom (,,zonder God kan ik niet leven), gehoorzaam aan het kerkelijk leergezag (,,waar de bisschop is, daar is de Kerk) en - minder bekend - bescheiden (,,ik behoor tot het type mens dat altijd de aanvulling zoekt. Zo kunnen anderen beter hun talenten ontplooien).NRC Willem Pekelder 31 maart 2003

Vertalingen

Engelsgown, robes of office
Spaansornamento