amandelboom
mannelijk (de)/a'mɑndəlbom/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) een kleine loofboom uit de rozenfamilie met als steenvrucht de amandel
Vertalingen
Engelsalmond, almond-tree, almond tree
Fransamandier
DuitsMandel, Mandelbaum
Spaansalmendro, almendrero
Italiaansmandorlo
Portugeesamêndoeira
Poolsdrzewo migdałowe
Zweedsmandelträd
Deensmandel, mandeltræ
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek