amah

vrouwelijk (de)/aˈma/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hulp in de huishouding
    Slauerhoff laat de Diana van Frazer niet aan haar lot over. Prompt suggereert hij een tempel en zelfs geesten: "De amah kon haar vertellen dat de eilandbewoners het als een verlaten tempel beschouwden, geloofden dat de geest van haar moeder er nog kwam en dat het werd bewoond door geesten: zij hoorden er steeds stemmen."

Etymologie

*van "अमा" (ama) "vrouw, thuis" [https://www.dbnl.org/tekst/_nee003191601_01/_nee003191601_01_0193.php?q=amahhl1 "Indische oudgastentaal. II" in: Neerlandia. jrg. 20 nr. 12 (december 1916) Geuze & Co, Dordrecht]; p. 242/243; geraadpleegd 2019-01-01