alveolair
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌɑlvejoˈlɛːr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (taalkunde) consonant bij de vorming waarvan de tongpunt de tandkassen raakt
- blaasvormig
- (taalkunde) (van consonanten:) gevormd met de tongpunt tegen de tongkassen
Etymologie
*afgeleid van alveole
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek