alveolair

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌɑlvejoˈlɛːr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. taalkunde (taalkunde) consonant bij de vorming waarvan de tongpunt de tandkassen raakt
  2. blaasvormig
  3. taalkunde (taalkunde) (van consonanten:) gevormd met de tongpunt tegen de tongkassen

Etymologie

*afgeleid van alveole