almacht

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɑɫmɑxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. absolute macht, macht over alles
    Van god wordt gezegd dat hij almacht heeft.
    In zijn leerstellingen keurde Al-Ghazali de ideeën van Aristoteles af; dat gold ook voor andere ideeën die de almacht van God tegenspraken.

Vertalingen

Engelsomnipotence
Fransomnipotence
DuitsAllmacht
Spaansomnipotencia
Italiaansonnipotenza
Poolswszechmoc
Zweedsomnipotens