alkoof

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɑl'kof/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) een kleine raamloze zijkamer, vaak gebruikt als slaapkamer
    Karin ligt in de slaapkamer te slapen, ik zit op de rotanstoel in de alkoof, die uitkijkt op de smalle strook bos die onze tuin scheidt van die van de buren.
    Het was een alkoof waarin de bewoner zich kon wassen en kleden - een soort kleedkamer die in een Normandisch fort niet thuishoorde.

Etymologie

* uit het Frans

Vertalingen

Engelsalcove
Fransalcôve
DuitsAlkoven
Spaansalcoba
Zweedsalkov