alarmist
mannelijk (de)/alɑr'mɪst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die anderen onnodig bang maaktWaanzin die het gevolg is van de bangmakerij die door zogeheten ’alarmisten’ in gang is gezet op basis van een aantal computermodellen. Het merendeel van deze modellen kan sinds de introductie zo’n 35 jaar geleden, nog niet worden onderbouwd door metingen. Inmiddels worden sceptici die twijfelen aan de waarde van de modellen niet gehoord. Discussies in panels worden niet gevoerd tussen alarmisten en sceptici, doch slechts door gelijkgezinde alarmisten. Alarmisten missen meestal de lef om met sceptici een discussie aan te gaan, voor hen is elke discussie gesloten. De Telegraaf 17 apr. 2018 Dr. Ir. J.F. Holtrop[https://www.telegraaf.nl/watuzegt/1927074/onnodig-bang-door-klimaatalarmisten ’Onnodig bang door klimaatalarmisten’]Ze is al een „alarmist” genoemd. „Dat beschouw ik als geuzennaam.” Maar ze heeft geen actieplan. Wel wil ze bewustwording op gang brengen. „Zodat archieven die ooit bloeiende instituten waren, behouden blijven en worden uitgebouwd. De tijd is rijp om de krachten te bundelen.” Reformatorisch Dagblad Jaco van der Knijff 06-11-2017 [https://www.rd.nl/muziek/donkere-wolken-boven-het-nationaal-muziekgeheugen-1.1443205 Donkere wolken boven het nationaal muziekgeheugen]
Etymologie
* afleiding van alarm
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek