agent

mannelijk (de)/aˈɣɛnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) persoon die namens de politie belast is met de handhaving van de openbare orde en veiligheid
    De agent deelde een bekeuring uit aan de wildplassers.
    Rond 21 uur reed er een politiewagen langs die me een lift aanbood. Ik was te moe om uitgebreid verslag te doen en gaf alleen beleefd antwoord op de vragen die de vriendelijke agent stelde.
  2. beroep (beroep) vertegenwoordiger van een bedrijf
    Hij ging naar de agent die zijn bankzaken regelde.
zelfstandig naamwoord
  1. informatica (informatica) softwareprogramma dat zelfstandig namens een gebruiker kan optreden
  2. sociologie (sociologie) eenheid in sociaal model die andere eenheden beïnvloedt

Etymologie

*[B] van "agent"

Vertalingen

Engelsagent, policeman
Spaanspolicía, agente
Italiaansagente