afwezendheid
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het niet aanwezig zijnDe afwezendheid der Koningin Johanna streelde hem met de blijde hoop dat Philippe le Bel niet overbiddelijk zijn zou.In onze afwezendheid zult gij onze broeder Gwyde als uw heer en Graaf gehoorzamen.
Etymologie
*afleiding van afwezend
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek