afwachting

vrouwelijk (de)/'ɑfwɑxtɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. in de veronderstelling zijnde dat bepaalde dingen gaan gebeuren
    De kinderen waren in afwachting van Sinterklaas.
    Hoewel de laatste dagen in afwachting van de wapenstilstand vrij rustig verliepen, kwam alles onverhoeds in een stroomversnelling. {{Aut|Lemaitre, Pierre
    Want ik was niet naar Grand Hotel Europa gekomen om de tijd weemoedig te laten verglijden te midden van afgebladderde luxe en krakende glorie in passieve afwachting van een of ander inzicht, dat mij op een gegeven moment zou toevallen als een bloemblad uit een vergeeld boeket. Dat inzicht wilde ik afdwingen en daarom moest ik aan het werk.

Etymologie

* van afwachten

Vertalingen

Engelsexpectation
Fransattente
DuitsErwartung
Spaansexpectación
Zweedsförväntan