afwachtend

/ˈɑfwɑxtənt/

Betekenis

werkwoord
  1. observerend maar niet handelend
    ` Waar ga jij kerst vieren?' vraagt mijn kapster geroutineerd. In de spiegel zie ik haar afwachtende gezicht, blijkbaar wordt dit hét thema tijdens deze knipbeurt, dus ik kan me er niet met een gemompeld antwoord van afmaken. Bovendien heb ik een hardnekkig soort overtuigingsdrang sinds ik mij voornam om schaamteloos en onverschrokken te leven, dus ik leg uit dat ik atheïst ben en geen kerst vier.{{Aut|Zwagerman, Marianne
    ‘Nadat ik haar gisteren vertelde dat je zou worden ontslagen uit het ziekenhuis, pakte ze fluitend haar spulletjes bij elkaar.’ Aan de afwachtende houding van Jeroen bemerkte ze dat hij hierover zo zijn twijfels had.