afval

onzijdig (het)/ˈɑfɑl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onbruikbare resten die weggegooid worden
    Morgen komen ze het afval ophalen.
    Doordat ik vaak dagenlang geen afvalbak tegenkwam, droeg ik altijd een zak vol gebruikte wc-papiertjes bij me. Het was altijd weer een enorme opluchting om in een dorpje mijn wc-papier en ander afval weg te kunnen gooien.
zelfstandig naamwoord
  1. het afvallen, verlating van een persoon of overtuiging waaraan men eerder was toegewijd
    De grondtoon van het boek getuigt van een cultuurpessimisme, dat vooral tot uiting komt in wantrouwen jegens een volledig geseculariseerde samenleving. De afval van God lijkt vanuit een gelovig gezichtspunt betekenis te hebben, maar dat is volgens hem een vergissing.

Etymologie

*Afgeleid van afvallen

Vertalingen

Engelswaste, garbage
Spaansbasura, desecho, desperdicios
Poolsodpad(y), śmieci