aftroggelarij

vrouwelijk (de)/ɑftrɔɣəla'rɛɪ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de keer dat men op slinkse wijze iets verkrijgt van een ander
    `In België komen staatshervormingen meestal maar tot stand op grond van chantage, aftroggelarij en politieke koopje', schrijft hij. NRC Hans Buddingh' 27 december 2002 [https://www.nrc.nl/nieuws/2002/12/27/tindemans-kletste-niet-7619866-a500665 Tindemans kletste niet]
    Verder onderzoek moet uitwijzen of het daarbij al dan niet om aftroggelarij ging. De Standaard 06 FEBRUARI 2004 (yng) [http://www.standaard.be/cnt/gft3n8oe Opnieuw Roemeense zwartwerkers in binnenspeeldorp Esen]

Etymologie

* van aftroggelen