aftrekken

/ˈɑftrɛkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, wiskunde (ov), (wiskunde) rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
    Als je drie van vijf aftrekt, krijg je twee.
  2. ov (ov) iets met een trekkende beweging losmaken, verwijderen door te trekken
    Hij heeft vandaag het blaadje van de scheurkalender afgetrokken.
  3. ov (ov) de trekker van een pistool overhalen
  4. ov (ov) korten
    Wij willen graag deze kosten aftrekken.
  5. ov (ov) (Limburg) een foto (van iets of iemand) maken
    Als u in het hokje gaat zitten trek ik u zo meteen af.
  6. ov (ov) (Limburg) de wc doorspoelen
    Vergeet niet de wc af te trekken nadat je geplast hebt!
  7. refl, spreektaal (Noord-Nederland) (refl) (spreektaal) zich ~: masturberen van een man.
  8. ov, spreektaal (ov) (spreektaal) een man met de hand seksueel bevredigen
  9. ov (ov) een infusie (aftreksel) maken van iets
    Men kan het zaad ook wel in wijn aftrekken of thee maken van de bladeren.
  10. erga, militair (erga) (militair) het strijdperk of de belegering verlaten, zich verwijderen, weggaan
    Toen de vijand eindelijk afgetrokken was, haalde de hele bevolking opgelucht adem en werd er feest gevierd.

Etymologie

* In de betekenis van ‘in de wiskunde: verminderen’ voor het eerst aangetroffen in 1445

Vertalingen

Engelssubtract, jerk off, jerk off
Franssoustraire, se tirer, se branler
Duitsabziehen, subtrahieren, wichsen
Spaanssustraer, substraer, descontar
Italiaanssottrarre
Poolsodejmować, odciągać