afsluitend

/ˈɑfslœytənt/

Betekenis

werkwoord
  1. het einde vormend
    De renner kwam bij de afsluitende klim in het rondje ten val.
    Slechts twee jaar later zeilde hij het mooiste en snelste jacht dat er toen was naar de overwinning in de Kielregatta en zat aan de tafel van de Kaiser bij het afsluitende banket, net verloofd met Ingeborg.

Etymologie

*"afsluiten" met de uitgang -d