afschrikking
vrouwelijk (de)/ˈafsxrɪkɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- dreiging om een ander van bepaald gedrag af te houdenDertig Brabantse en Zeeuwse fruitbedrijven die worden verdacht van betrokkenheid bij de handel in cocaïne, krijgen deze week bezoek van de politie en Belastingdienst. De controles zijn vooral bedoeld ter afschrikking, zegt een politiewoordvoerder: „We willen laten merken dat we deze bedrijven in het vizier hebben.”Voor deze gebouwen heeft de veiligheidsindustrie een heel repertoire aan afschrikkingen bedacht. Muren, afrasteringen, scanners, prikkeldraad, elektronische poorten.
Etymologie
*afgeleid van "afschrikken"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek