afschieten

/ˈɑfsxitə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) met een schot doden
    De overbevolking in dit gebied wordt bestreden door jaarlijks wild af te schieten.
  2. iets met behulp van een explosie snel weg laten vliegen
    Wij mogen op oudejaarsavond vuurpijlen afschieten.
    Het kon namelijk niet anders of er zou verbaal vuurwerk worden afgeschoten.

Vertalingen

Duitsabschießen