afritsbroek
mannelijk/vrouwelijk (de)/'ɑfrɪtsbruk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kleding) broek die men korter kan maken door er de pijpen van af te halen met een ritssluitingIk had vanmorgen even getwijfeld of ik mijn kloeke loopschoenen en afritsbroek vandaag al moest aantrekken terwijl we alleen een stadswandeling gaan maken, maar waarom niet? Het kan bloedheet worden, dan gaat alles gauw schuren.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek