afrazen
Betekenis
werkwoord
- met grote of wilde snelheid naar beneden gaanEen wintersportvakantie is meer dan skiën en snowboarden. Met een sleetje de piste afrazen is een populair verzetje.
- met grote of wilde snelheid naderenZe dachten dat ze het niet zouden overleven. Tot hun verbijstering zagen de tweelingbroers Bert en Johan Beute (16) en hun zus Jelien (20) uit Lutjegast zondagavond een windhoos recht op hun boerderij afrazen. „We waren erg bang.”Dichtere en journalist Marjoleine de Vos hoorde en voelde de beving in Groningen áls een vrachtwagen' op haar huis afrazen.
- heel snel praten; afratelen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek