afrastering
vrouwelijk (de)/'ɑfrɑstərɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een open hekwerk dat gebieden van elkaar scheidtOm de wei staat een afrastering van prikkeldraad om te voorkomen dat de paarden weglopen.
Etymologie
* van afrasteren
Vertalingen
Engelsgrate, grid, grill
Spaansenrejado, reja
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek