afrastering

vrouwelijk (de)/'ɑfrɑstərɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een open hekwerk dat gebieden van elkaar scheidt
    Om de wei staat een afrastering van prikkeldraad om te voorkomen dat de paarden weglopen.

Etymologie

* van afrasteren

Vertalingen

Engelsgrate, grid, grill
Spaansenrejado, reja