afpraten
Betekenis
werkwoord
- afdingenDe boete van 1.100 euro doet de jonge Rijssenaar echter bijzonder zeer. Zo zeer dat hij dacht, ik laat het voorkomen. Misschien kan ik er nog wat afpraten.
- zich uiten, iets helemaal ten einde toe besprekenT. ondergaat tot december een proefbehandeling in de forensisch psychiatrische kliniek in Assen. Halverwege zijn de behandelaars ‘voorzichtig positief’. De Borculoër is enthousiast, zo vertelde hij de raadsheren (rechters). ‘Ik ben blij dat ik het eruit kan gooien.’ Zwaar is het wel. ‘Je moet toch terug de geschiedenis in en het verleden ophalen, maar ik kan eindelijk van me afpraten en daar ben ik blij om.’
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek