aflossingskoers

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɑflɔsɪŋsˌkurs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) wedstrijd waarbij verschillende leden van een team om de beurt een deel van de afstand afleggen
    Swings was de afgelopen week niet te kloppen. Hij won de 1.000 meter sprint, de afvalkoers over tien, vijftien en twintig kilometer, de puntenkoers over tien kilometer en de aflossingskoers. Zelfs in een kleine sport als het skeeleren is dergelijke suprematie ongekend.
  2. financieel (financieel) (van een obligatie) de koers (prijs) waartegen de obligatie wordt afgelost aan de belegger, meestal op de vervaldatum. Standaard is deze koers 100%, wat betekent dat de belegger de nominale waarde van de obligatie terugkrijgt