aflopen
/ˈɑflopə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) eindigen, verstrijkenDe termijn van deze overeenkomst loopt morgen af.
- (absol) hellen [1]Deze vloer loopt een beetje af.
- (erga) het klinken van een alarmsignaalDe wekker liep af, maar hij sliep er dwars doorheen.
- door veelvuldig lopen verslijten of doen loslaten
- een ruimte of uitgestrektheid in alle richtingen doorlopen
- iets of iemand lopend naderen
Vertalingen
Engelsend, end up, finish
Fransfinir, terminer
Duitsabfallen
Spaansterminarse, caducar, bajar
Italiaansfinire
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek