afliegen
/ˈɑfliɣə(n)/
Betekenis
werkwoord
- beweren geen betrekking tot het genoemde te hebben
- verminderen door een leugen te vertellenDie baan heb ik gekregen, maar ik moest daarvoor wel acht jaar afliegen van mijn leeftijd. Ik heb pas veel later de waarheid verteld, toen ik promotie kreeg aangeboden juist op het moment dat ik de 65 naderde.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek