aflezer

mannelijk (de)/ˈɑflezər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. apparaat dat een kaart kan herkennen
    "De fraudeurs hebben een manier gevonden om de gegevens van de magneetband op je kaart te kopiëren, net voor je je kaart door de aflezer haalt om je code in te tikken." Dat zegt Yves Randoux, directeur van Cartes Bancaires, de Franse vereniging voor betaalkaartverkeer. Dat gebeurt voornamelijk in benzinestations. De fraudeurs kopiëren de gegevens daarna naar de magneetband van een blanco kaart. De Standaard 15 december 2000 [http://www.standaard.be/cnt/dst15122000_094 FT. Creditcardbedrijven trekken ten aanval tegen fraudeurs]

Etymologie

* van aflezen