afhollen
/ˈɑfhɔlə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) allemaal haastig bezoekenLeeft Mark Rutte nog? Temidden van {{sic!Timothy Castagne mocht bij Atalanta de rechterflank op- en afhollen en voelde zich in zijn sas in die rol.
- (ov) naar beneden rennen over
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek