afhalen

/ˈɑfhalə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) goederen die klaargelegd zijn in bezit komen nemen
    Je kunt daar nasi of bami afhalen.
  2. persoon meenemen
    Linda was me van huis komen afhalen.
  3. door trekken van iets anders ontdoen
    Je moet er eerst de beschermfolie afhalen voordat je de oven kunt gebruiken
  4. kookkunst (kookkunst) het verwijderen van de draad bij peulvruchten (en dan nog vooral bij sperziebonen)

Vertalingen

Engelspick up
Fransemporter
Duitsabholen
Spaansrecoger