afgrenzing

vrouwelijk (de)/ˈɑfɣrɛnzɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vaststelling van een scheidslijn met de omgeving
    Natuurlijk, Rotterdam en Amsterdam hebben al ervaring opgedaan met deelgemeenten en stadsdelen. Maar deze hebben volgens velen tot te veel bestuurlijke drukte en onvoldoende duidelijke afgrenzing van taken en bevoegdheden gezorgd.
    De afgrenzingen tussen groepen kunnen van land tot land enorm verschillen.
    Nationale identiteit opvatten als een middel tot afgrenzing, een eigenschap om anderen uit te sluiten en tot vijand te maken vindt hij gevaarlijk.

Etymologie

*afɡeleid van "afgrenzen"