afdoen

/'ɑvdun/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een gerezen vraag of tegenwerping als onbetekenend voorstellen
    Hij deed dat af alsof het een slechte grap was..
    Wat als een formaliteit werd afgedaan was in werkelijkheid de eigenlijke reden van het gesprek.
  2. ov (ov) een sieraad of kledingstuk afleggen
    Hij had zijn hoed nog niet afgedaan.
  3. ten einde brengen, niet langer werkzaam of geldig zijn
    Behalve dan dat de twee waarnemers zich, op het moment dat ze zo laag mogelijk gebukt vooruitkwamen, als konijnen lieten neerschieten. Eerst vielen er drie schoten en daarna een diepe stilte; de zaak was wat de vijand betreft afgedaan. {{Aut|Lemaitre, Pierre
    Hij is niet meer belangrijk voor me nadat hij zo vervelend deed, hij heeft helemaal voor mij afgedaan.
    'Hij zegt het alsof dat iets zal afdoen aan mijn liefde voor hem.
  4. minder belangrijk maken
    Hoewel de uitkomst rampzalig was deed dat niets af aan de goede bedoelingen die hij toch had.

Vertalingen

Engelsbrush aside, dismiss, put off
Spaansdespachar, zanjar, quitar