afbraak
mannelijk/vrouwelijk (de)/'ɑfbrak/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de actie van iets af te breken, het slopenBij de afbraak van de kerk werd een oude crypte ontdekt.
- (scheikunde) de ontbinding van een scheikundige stof in kleinere bestanddelenDe afbraak van alcohol gebeurt voornamelijk in de lever.
Etymologie
* van afbreken
Vertalingen
Engelsdemolition, decomposition, catabolism
Spaansdemolición
Italiaansdemolizione
Poolsrozpad
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek