afbonken

/ˈɑvbɔŋkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. met veel lawaai naar beneden gaan
    Bakker ziet wat voorbijkomen: “Zes Russen voor een party-weekend, een stel uit Berlijn dat dol was op house-muziek. Midden in de nacht stofzuigen, rondstampen, schuiven met meubels. Roken mag binnen niet dus hup, met z’n allen weer de trap afbonken.
  2. bij turfsteken de bovenste, onbruikbare veenlaag afsteken