adjunct

mannelijk (de)/ɑtˈjʏŋkt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ambtenaar of functionaris, aan een hogere toegevoegd om deze in zijn ambtsbezigheden bij te staan en bij afwezigheid te vervangen
    Die overdreven voorliefde voor het gezag had ze van haar vader, adjunct van het plaatsvervangend afdelingshoofd bij het ministerie van Posterijen, die de hiërarchie binnen zijn ministerie zag als een metafoor voor het universum. {{Aut|Lemaitre, Pierre

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘toegevoegd functionaris’ voor het eerst aangetroffen in 1503

Vertalingen

Engelsassistant
Spaansadjunto