achterstuk

onzijdig (het)/'ɑxtərstʏk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het achterste gedeelte van een groter geheel
    Het containerschip Rena, dat voor de kust van Nieuw-Zeeland op een rif is gelopen, is in tweeën gebroken. Het voorstuk zit nog vast op het rif, het achterstuk is zo'n 30 meter weggedreven.
    Als basis voor de schuilplaatsen gebruikte Wernink rioolbuizen, die het bedrijf voor die tijd al produceerde. Alleen de entree en het achterstuk met ventilatieopening moesten worden ontwikkeld.