achterpaard

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het achterste paard van een vier- of zesspan
    Twee van de trojka's waren gewone sleden, de derde was van de oude graaf, met een draver uit Orjol als achterpaard; de vierde was van Nikolaj met een laag zwart ruigharig achterpaard.