achterhand
mannelijk/vrouwelijk (de)/'ɑxtərhɑnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) het gedeelte van een hand bij de pols
- (sport) een achterwaartse slag met bijv. een tennisracketZijn slagen met de achterhand zijn niet zo goed als die met de voorhand.
- (paardrijden) het achterste gedeelte van een paardDe achterhand van een rijpaard bevindt zich achter de handen van de ruiter.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek