achterbouw

mannelijk (de)/'ɑxtərbɔu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aanbouw aan de achterzijde van een gebouw
    De brand woedt nog in het vier verdiepingen tellende gebouw, maar kan volgens de brandweer niet meer groter worden. "Momenteel wordt er nog volop geblust, omdat de woning ook nog een achterbouw heeft waar we moeilijk bij kunnen. De brand is dus nu zo goed als onder controle en kan niet uitbreiden."
    Om dat voor elkaar te krijgen, moest er wel een stuk achterbouw van de kerk, beter bekend als de consistoriekamer, gesloopt worden. Op die plek ontstond dan plek voor het nieuwe centrum.