achterboom
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een overwegslagboom voor het afsluiten van het fiets- en/of voetgangersverkeer bij een AHOB en ADOB
- achterste deel van de zadelboom, dat de rug ondersteunt en de ruiter in het zadel houdt
- kettingboom van een weefgetouw waarop ketting draden zijn aangebracht
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek